Drasha 25 mei 2013

(shabbat ‘Beha’alotcha.’ (25 mei 2013)

Door Bob Blok

In de sidra van deze week, die vanmorgen is gelezen, n.l. ‘beha’alotcha (wat aangeeft dat die te maken heeft met het aansteken van de zevenarmige kandelaar), heb ik het 4gedeelte genomen voor mijn allereerste drasha in mijn leven.

Dit gedeelte lijkt heel geëigend te zijn voor wat wij nogal eens horen in onze samenleving, n.l. geklaag of gemopper. Het is ons op het lijf geschreven. Dat we dat graag doen, wordt duidelijk als we b.v. naar iemands welstand of gezondheid vragen. Als antwoord hoor je dan nogal eens: “We mogen niet mopperen.” Het volk moppert in dit verhaal dus ook, terwijl het eigenlijk geen reden tot klagen of mopperen heeft.
Het moppert om te mopperen. De Eeuwige bestraft hen door vuur.
Op voorspraak van Moshe dooft de Eeuwige het vuur.
Het volk is echter kort van memorie en vindt een nieuwe reden tot klagen: “Wie geeft ons vlees te eten ? In Egypte hadden we van alles te eten, n.l. vis, augurken, watermeloenen, prei, uien, knoflook en ga zo maar door. Hier in de woestijn hebben we alleen maar manna !”
Het humoristische is dan echter, dat we gelijk daarop getrakteerd worden op een recept om manna tot een heerlijk fijn oliegebak te bereiden.
Het aanzwellend hernieuwd gemopper van het volk bekomt Moshe zo slecht, dat hij op zijn beurt zijn beklag daarover doet bij de Eeuwige.
De Eeuwige geeft Moshe de opdracht zeventig ‘oudsten’ bijeen te brengen voor Zijn aangezicht. Hij zal hen iets van de geest, die Hij ook Moshe gegeven heeft, over hen brengen, zodat zij samen met Moshe de last van het volk kunnen dragen.  Zij moeten van de Eeuwige het volk vertellen, dat “de Eeuwige hen vlees zal geven in die mate, dat zij er niet alleen voor een dag genoeg aan zullen hebben; ook niet voor twee dagen; ……………………; niet voor twintig dagen, maar voor een hele maand, zodat het hen de strot zal uitkomen en hen kotsmisselijk zal maken. Want het volk heeft de Eeuwige gesmaad door dit soort gejammer.”
De oudsten ontvangen de geest van de Eeuwige en treden op als profeten, d.w.z. als overbrengers van de wil van de Eeuwige naar het volk toe.
Er is dan het voorval dat Moshe’s trouwe hulp, Jehoshoea – zoon van Noen-, hem verontwaardigd komt vertellen, dat twee oudsten niet op de bijeenkomst met de aanwezigheid van de Eeuwige zijn geweest, maar wel optreden als profeten. Moshe reageert daarop tamelijk laconiek met: “Was het maar zo, dat heel het volk van de Eeuwige profeet was, dat de Eeuwige Zijn geest op het volk gelegd had.” M.a.w. “Dan had ik niet steeds die sores aan m’n kop !”
De Eeuwige laat dan een wind komen, waarop kwartels meegevoerd worden.
Een dag en een nacht en nog een dag kwartelrapen ontaardt voor een deel van het volk in een grote schranspartij. Ze schranzen zich letterlijk en figuurlijk klem, want dan ontbrandt de toorn van de Eeuwige tegen dat deel en zij moeten sterven en worden ter plekke begraven.
Tot zover een verkorte samenvatting van dit sidra-gedeelte.

In dit verhaal wordt niet gezegd: “Gij zult niet klagen !”
In de geschiedenis van ons volk zijn talloze episoden te noemen, waarin het beklag dat oprees volledig op zijn plaats was. Ook tijdens onze trektocht door de woestijn zijn er momenten aan te wijzen, dat vaders en moeders zich geen raad wisten, als zij zagen dat er voor hun kinderen geen water of voedsel was, zoals bij de plek waar alleen bitter water (Mara) voorhanden was, of die keer in Refidiem, waar om water wordt gesmeekt.
Zonder water en voedsel kan de mens niet leven.
In ons verhaal van vandaag ligt de zaak heel anders. Het volk heeft te eten en te drinken, maar het moppert om wat te mopperen te hebben. Ze zien daarbij hun rijkdom van alle dag over het hoofd, want “het bezit van de zaak is het eind van het vermaak.”
Alle proporties worden uit het oog verloren en men haalt met elkaar herinneringen op over ‘de vleespotten van Egypte’, die zij in schril contrast stellen met ‘de ellende van de woestijn’, waar zij steeds maar aangewezen zijn op dat manna. Hun geheugen werkt selectief.
Het volk herinnert zich opeens niets meer van de ellende van de slavernij in Egypte en de vreugde, die men voelde bij de bevrijding daarvan.
Om ons heen kun je dit verschijnsel dagelijks waarnemen bij mensen, die nooit genoeg hebben en hun meestal materiele eisen steeds een trede hoger stellen.
Het zijn vaak ook lieden, die met hun gemopper gelijkgezinden zoeken, die hen bevestigt in het gevoel, dat deze samenleving hen tekort doet, maar bij wie de wil ontbreekt om iets aan hun eigen situatie te doen. Vaak leggen deze mensen de schuld van hun onvrede bij de ander.
Toch is dit mopperen en klagen een trekje in de mens, die niet steeds zo zwaar hoeft te worden aangezet. Op z’n tijd heeft iedereen er in min of meerdere mate last van.
Sommigen onder ons hebben van nature de neiging om het glas als ‘half leeg’, dan wel als ‘half vol’ te zien. Nederlanders klagen of mopperen graag en heden en verleden liggen wat dat betreft bij ons volk niet ver uit elkaar.
Bovendien zou het de plicht moeten zijn van iedereen, die in een land woont waar je vrij bent om je mening te uiten, om als daar aanleiding toe is, b.v. bij misstanden in onze samenleving, uit volle borst te klagen en niet weg te kijken van het probleem.
Ik las daarover een leuke anekdote en wil daarmee een punt zetten achter mijn drosje.

In Israël werd aan het eind van de vorige eeuw aan een Russische immigrant gevraagd: “Hoe was het in Rusland ?”
Het antwoord luidde: “Ik had niet te klagen.”
“Hoe woonde je daar ?”
En weer was het antwoord: “Ik had niet te klagen.”
“Hoe was je levensstandaard ?”
“Ik had niet te klagen.”
“Ja maar,” zei men hem, “als alles in Rusland zo goed was; waarom ben je dan hier gekomen ?”
“Ja ach,” zei de Russische immigrant, “hier, Baroech ha Shem, mag ik klagen !”

Ik wens jullie allen verder een goede shabbat.